Een midweek in Limburg – Zomerverhaal

In 2018 -nog voor mijn grote contract bij LS Amsterdam- kreeg ik de vraag of ik een zomerverhaal wilde schrijven voor een grote boekensite. Op 3 augustus zou het geplaatst worden, en daarom heb ik dit bericht dan ook ingepland op 3 augustus. Gewoon omdat het kan.
*Disclaimer: Dit verhaal is meer dan 4 jaar oud en heeft geen redactie of correcties gehad, maar Patrick is wel in die bovenstaande fontein gesprongen… eh… ik bedoel: mijn inspiratie geweest.

Een midweek in Limburg
Ik kijk twijfelend om me heen en werp dan een verlangende blik op het tafereel voor me. Het terras áchter me zit propvol. Niet zo gek, het is zomervakantie, en ik ben in Limburg. Net als half Nederland, volgens mij. Een paar meter bij me vandaan spuiten fonteintjes uit de grond en er rennen kinderen op blote voeten tussen de stralen door. Toen ik hier net neerplofte om uit te puffen van mijn wandeling door het heuvelland, was het heerlijk koel uitziende water het eerste dat me opviel. Als ik had geweten dat het vandaag vijfendertig graden zou worden, dan had ik in het zwembad gelegen in plaats van die wandeling te maken. Mijn haren plakken langs mijn gezicht en er zitten een paar weinig charmante zweetplekken op mijn jurkje.
   De blonde jongen aan het tafeltje tegenover me grijnst als hij mijn blik volgt. ‘Ik wil er ook altijd inspringen en me dan voorstellen dat niemand daar raar van opkijkt, maar ik denk dat het opvalt dat ik een meter groter ben dan de meesten.’
Ik haal mijn schouders op. ‘Staat er ergens dat het niet mag als je geen twaalf meer bent?’
De glimlach om zijn lippen wordt steeds groter.
‘Nee hoor, het staat nergens, maar ik denk wel dat ze je een beetje vreemd aankijken.’
   Als hij zijn telefoon pakt en daarin verdiept raakt, neem ik peinzend een grote slok van de ijskoude cola. Wat willen ze doen als ik het wel doe? Me de stad uitzetten? Het zou geen grote straf zijn. Limburg mag dan misschien mooi zijn, het is er ook oersaai. Je houdt óf van wandelen, óf van jezelf kwellen, want een andere reden om naar Vaals toe te gaan is er bij mijn weten niet. Behalve als je zoals ik, een midweek van je ouders cadeau hebt gekregen.
   ‘Om lekker bij te komen,’ zei mijn moeder. Ze hebben er vast heel lang over nagedacht, maar er zijn maar een paar dingen waar je me geen plezier mee doet. Eén daarvan is wandelen in Limburg. Ik drink mijn glas in een teug leeg en knijp mijn ogen dicht als ik een brainfreeze krijg. Of het mijn bevroren hersenen zijn, of de zomer in mijn bol, iets maakt dat ik niet nadenk. Misschien is het zelfs wel een zonnesteek, maar nadat ik een paar muntjes voor de cola op tafel heb gelegd sta ik langzaam op en loop naar de fonteintjes. De jongen groet me als hij ziet dat ik wegga.
De zon schijnt zo fel dat ik binnen een half uur vast wel weer droog ben. Waarschijnlijk nog zelfs voor ik terug op het vakantiepark ben.
Op een meter afstand van de waterpret doe ik mijn schoenen uit, en zet ze op mijn tas. Ik sluit mijn ogen, en zet een stap vooruit. En dan spring en dans ik ineens mee met tientallen kinderen door het water alsof ik weer vijf jaar oud ben.
   En óf dit een goed idee was. Het water is heerlijk verkoelend, en als ik mijn hoofd in mijn nek gooi en rondjes draai kan het me ineens niet meer schelen of er iemand toekijkt vanaf het terras. Het is zo heerlijk dat het me niet eens zou kunnen schelen als de hele stad toekeek. Ik voel me verfrist, afgekoeld, en ontzettend vrolijk als ik na tien minuten spetteren terug naar mijn spullen loop. Of, beter gezegd, naar de plaats waar mijn schoenen en tas zouden móeten staan.
Ze staan er niet.

‘Kom nog effe spelen,’ roept een jongetje dat zo te horen uit Amsterdam komt, maar ik schud mijn hoofd en kijk nog eens helemaal rond het plein. Ik weet zeker dat mijn schoenen… Ineens zie ik ze staan, een paar meter verder naar links dan waar ik ze heb achtergelaten. Het duurt maar twee seconden tot de paniek toeslaat. Mijn schoenen staan er nog. Maar waar is mijn tas? Mijn tas met mijn telefoon, mijn autosleutels, geld, de sleutel van mijn huisje? Ik kan mezelf wel voor mijn hoofd slaan. Dacht ik soms dat ze in Limburg geen diefstal kennen? Dat je daar gewoon je tas op de grond kunt laten staan, terwijl je zelf iets anders gaat doen en dat niemand hem dan meeneemt? Ik trek mijn schoenen aan en kijk, tegen beter weten in,  toch opnieuw rond. Daarna laat ik me op een bankje zakken, zet mijn ellebogen op mijn knieën. Ik leg mijn hoofd in mijn handen om een potje te janken om mijn eigen stommiteit. Dág vakantie.
   ‘Zocht je dit?’ klinkt een stem een paar seconden later achter me. Als ik mijn hoofd optil zie ik mijn tas aan een vinger voor mijn ogen bungelen. Ik ben zo blij dat ik mijn goede manieren vergeet en de tas uit de hand ruk. De zucht van opluchting die over mijn lippen komt als ik zie dat alles er nog in zit, is zo hard dat hij op een kreun lijkt. Als ik me omdraai zie ik pas dat de vinger waar mijn tas aan hing, vastzit aan de hand van de jongen van het terras.
Mijn natte jurk plakt aan mijn lijf, en als er nog iets van mijn make up mijn wandeling had overleefd, dan zeker de fontein niet. Mijn haar is er al niet beter aan toe, maar toch probeer ik mezelf een beetje te fatsoeneren onder zijn blik. Er zit een klein moedervlekje bij zijn lip zie ik, en zijn haren krullen een beetje in zijn nek.
   ‘Blijf je staan staren, of zeg je gewoon “Dankjewel!” voor je weer verder gaat?’
‘D…dank je wel,’ stotter ik. ‘Ik wilde niet staren. Ik was zo geschrokken.’
Hij wacht niet op een uitnodiging, maar loopt om het bankje heen en komt naast me zitten.
‘Ik wilde je niet aan het huilen maken, alleen laten zien dat je spullen sneller weg zijn dan je denkt. We waarschuwen hier ook iedereen voor zakkenrollers, maar jij maakt het criminelen wel erg makkelijk.’
Ik knik gelaten. Die preek verdien ik.
‘Het zag er trouwens heerlijk uit, om je daar door dat water te zien springen. De helft van de mensen daar op dat terras benijdde je om je lef.’ Zijn mondhoek gaat een beetje omhoog waardoor er een onweerstaanbare scheve grijns op zijn gezicht verschijnt. ‘De andere helft van het terras zat bijna te kwijlen,’ Hij zwijgt even. ‘En ik nog wel het meest.’
Je moet wel heel zelfverzekerd zijn om zoiets te zeggen tegen iemand die je helemaal niet kent. En je moet wel heel verlegen zijn, om zo te blozen als ik doe na het horen van die woorden.
   Hij buigt zich een beetje verder naar voren, tot hij met zijn mond bij mijn oor is.
‘Alleen, als je de volgende keer van plan bent om iets met water te doen, kun je er beter voor zorgen dat je iets aanhebt dat niet doorschijnt.’ Zijn blik glijdt langs mijn kin naar beneden en ik kan bijna voelen hoe zijn ogen blijven hangen op mijn borsten. Mijn ogen volgen zijn blik, en als ik het zie, zou ik willen dat er in plaats van verkoelende fonteintjes, grote gaten in de grond zaten. Bij voorkeur groot genoeg zodat ik erin weg kon zakken.
   Ik draag een van mijn Sapph bh’s, met felle kleurtjes, veel bandjes en een drukke print, die je normaal gesproken niet ziet onder mijn lichtblauwe jurkje, maar dus wel als hij kletsnat is.
‘Ik klaag niet,’ maakt hij het nog iets erger. ‘Ik heet trouwens Sander.’ Hij steekt zijn hand uit. ‘Hanneke,’ zeg ik met tegenzin. ‘En voor het geval je het je afvraagt, ik schaam me kapot.’ Gelukkig ben ik hier aan het eind van de week weer weg. En het ziet er niet naar uit dat ik hier ooit nog een keer terugkom, nu een heel plein vol mensen me zowat in mijn ondergoed door een rij fonteintjes heeft zien dansen. ‘Nou, eh, bedankt dat je mijn tas onder je hoede hebt genomen, en dat je me even gewaarschuwd hebt.’ Als ik op wil staan houdt hij me tegen. Ik val terug op het bankje met een natte plof.
‘Ik zou gewoon nog even wachten als ik jou was.’ Hij knikt weer in de richting van mijn borsten. ‘Je staat nu midden op een plein, waar iedereen je al gezien heeft. Als je nu die kant op loopt, kom je op de hoofdstraat uit en verander je in een toeristische attractie. Het zou me niet eens verbazen als je een paar ongelukken zou veroorzaken. Ik wil je best even gezelschap houden tot je jurk droog is.’
   Er zit niets anders op. Een half uurtje, uiterlijk. En dan ben ik hier weg. Misschien wacht ik niet eens meer tot mijn midweek voorbij is, maar stap ik meteen in mijn auto. Weg hier.
We zitten zwijgend naast elkaar, Sander en ik. Toch niet zo zelfverzekerd als hij lijkt.
Als hij ziet dat ik naar hem kijk, doet hij toch een poging om een gesprek te beginnen.
‘Je komt niet uit de buurt, hè?’ vraagt hij.
‘Nee. Maar jij zo te horen wel.’
Zijn handen gaan in een verontschuldigend gebaar omhoog.
‘Dat is wel de ergste vloek van in Limburg wonen. Die zachte G herkennen ze overal. Iedereen weet meteen waar ik vandaan kom als ik mijn mond opendoe.’
Als je het mij vraagt, zijn er nog veel ergere dingen aan Limburg dan een zachte G, maar toch zwijg ik.
‘Ik kreeg een vakantie van mijn ouders, en het is pas de tweede dag, maar ik verveel me nu al dood hier. Overal waar je kijkt zijn schoenenwinkels, en terrassen vol toeristen.’
‘Ja, die toeristen. Vreselijk. Van die Hollanders die in onze Limburgse fonteinen springen alsof ze kleine kinderen zijn.’ Als ik opzij kijk, kan ik niet anders dan lachen. Hij trekt zo’n schijnheilig gezicht dat je wel van staal moet zijn om niet te reageren.
‘Nou, de lokale inwoners kunnen er anders ook wat van. Bezorgen die arme toeristen bijna een hartverlamming, alleen om ze een lesje te leren. Noem dat maar gastvrij!’ We barsten samen in lachen uit en het volgende half uur kijken we naar de blije kinderen en praten we over koetjes en kalfjes.
    Dan staat hij op.
‘Je jurk is droog, en je kunt terug naar je logeeradres zonder je zorgen te maken dat ze je oppakken voor schending van de openbare eerbaarheid.’
Langzaam sta ik ook op.
‘Dan ga ik maar,’ zeg ik zacht en pak mijn tas van de bank naast me. ‘Nogmaals bedankt.’
‘Ja, ik moet ook maar eens gaan, en graag gedaan.’
    Het is net een scene uit een slechte film, wanneer de hoofdrolspelers afscheid nemen en tegenovergestelde kanten op lopen. Ik steek mijn hand nog op, hij wuift nog eens, maar dan verliezen we elkaar uit het oog. Ik foeter mezelf uit dat ik niet meer gezegd heb. Ik weet zijn achternaam niet eens.

Tegen de tijd dat ik in het vakantiepark ben en me op mijn bed laat vallen, baal ik ontzettend dat ik niet op z’n minst zijn telefoonnummer gevraagd heb. Zo groot is Vaals nou ook weer niet, maar de kans dat ik hem nog een keer toevallig tegen het lijf loop, is niet bepaald aannemelijk.
Het geluid van mijn telefoon laat me schrikken. Dat is vast mijn moeder, die wil vragen of ik al tot rust ben gekomen. Ik ontgrendel het scherm en klik het berichtje met tegenzin open. Wat moet ik in vredesnaam vertellen?
“Ik heb natuurlijk wel mezelf even gebeld met je telefoon voor ik hem teruggaf, zodat ik je nummer heb. Morgen een drankje op hetzelfde terras om 12.00 uur? Als je belooft uit de fontein te blijven. S.”
Vaals is ineens heel stuk leuker geworden…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *