Vrijdag de dertiende

(Let op: Dit verhaal is GEEN feelgood.)

Mijn stem echoot door het huis, terwijl de klap van de deur wegsterft.

‘Harm?’ Stilte. Dit is nou weer typisch mijn broer. Een sleutel onder een bloempot leggen en er dan zelf niet zijn om me te verwelkomen. Hij zit vast ergens in een kroeg met een glas bier voor zijn neus, maar ik had toch minimaal verwacht dat hij me zou verwelkomen op mijn eerste dag, me een rondleiding zou geven en het me niet zelf zou laten uitzoeken met alleen een getekend en verfrommeld plattegrondje van het huis dat bij de sleutel lag.


Tot nu toe valt het nog niet tegen, dit huis. Wat veel hout naar mijn smaak, maar het is prima voor nu. Het is zo’n plek waarvan je het gevoel hebt of je er al jaren woont, waar je je meteen thuisvoelt. Harm heeft zijn best gedaan om het bewoonbaar te krijgen voor ik kwam. Ik had niet verwacht dat er gordijnen zouden hangen, en dat hij alles gepoetst zou hebben, maar eigenlijk had ik het kunnen verwachten. Hij bleef maar erop hameren dat verandering van omgeving me goed zou doen. En hij had gelijk, ik merk het nu al, dat er een last van mijn schouders is gevallen. Behalve de grote bank, die er heerlijk uitziet en bedolven is onder de kussens staat er ook een kleine tv, een tafel met vier stoelen en achter een muurtje een kleine, schattige keuken waar zelfs een fluitketel op het fornuis staat. Klaar om in te trekken. Zo noemde hij het.

‘Het is daar zo schilderachtig, Agnes. Je gaat het helemaal geweldig vinden.’ Ik pruttelde eerst nog wat tegen over het niet zeker weten of ik het wel kon, weggaan en alles achterlaten, terwijl dat eigenlijk precies was wat ik wilde, maar Harm kent me zo goed dat hij ook wist dat het maar een excuus was. Angst voor het onbekende, bang om alleen te zijn. Een wereld zonder Arthur, waarin ik opnieuw zou moeten leren leven, en liefhebben. Opnieuw zou moeten beginnen. ‘Hoe lang kun je nog om hem rouwen, Agnes? Dit had hij ook niet gewild.’ Dat deed pijn, die woorden, want er was zoveel wat ík niet wilde.

Ik wilde óók niet dat Arthur mij in de steek liet. En toch had hij dat gedaan. Die dag, een paar dagen voor we onze vierde trouwdag zouden vieren, lag hij dood naast me in bed. Nog niet helemaal koud en dat feit zorgde er weer voor dat ik niet meteen de ernst van de zaak doorhad. Ik slaapwandelde vaak, en liep dan het hele appartement door, waarna ik met ijskoude voeten terug in bed kroop die ik dan opwarmde aan Arthur, die op zijn beurt dan weer scheldend wakker werd maar uiteindelijk toeliet dat ik mijn voeten tussen zijn benen stak en me aan hem warmde. Dit keer had hij helemaal niet bewogen, gescholden, en was hij niet wakker geworden. Ik schudde hem eerst vier keer, voor ik begreep dat er iets niet goed was.

Wat volgde was niet anders dan de hel te noemen. Een ambulance, een dokter, en uiteindelijk de mededeling dat hij in zijn slaap was overleden, en dat het gewoon ‘domme pech’ was.

Ik liet mijn grote liefde cremeren en strooide hem daarna op een zonnige dag stiekem in het water op zijn favoriete plek: De Trevi-fontein. Dat was de plek waar we elkaar ontmoet hadden toen we allebei gidsten in Rome, waar hij mij ten huwelijk had gevraagd, en waar we graag wandelden, hand in hand op een zwoele Italiaanse avond. De plek waar ik ware liefde had gevonden.

Waar ik geen rekening mee had gehouden was het gat dat Arthur zou achterlaten in mijn leven. Alles, en dan ook echt álles in ons appartement in Rome herinnerde me aan Arthur en de gelukkige tijd die we samen hadden gehad. Van een paar schoenen achterin een kast, tot een aangebroken pakje sigaretten in de beschuitbus omdat hij af en toe stiekem rookte als ik niet thuis was. Sinds hij overleed heb ik geen nacht meer in ons gezamenlijke bed geslapen en de plek die zo lang mijn enige thuis was geweest, werd een plek die ik haatte, een stad die ik haatte in een land dat ik haatte, omdat alles me aan Arthur deed denken. Dus belde ik Harm op en zei tegen hem dat ik hier weg wilde, dat ik terug naar Nederland wilde. Niet naar Oss, waar we geboren en getogen waren en waar ik meteen vertrok toen ik de kans kreeg, maar naar een mooie, groene, rustige plek waar ik kon werken, kon helen en opnieuw kon beginnen.

Een paar dagen later belde hij me terug: Hij had iets gevonden. Het was niet in Nederland, maar het was precies wat ik zocht. Het lag net over de grens, even ver van het Belgische Luik als van het Nederlandse Maastricht, in een klein dorpje. Rustig. Kalm. De woning lag tegen een berg aan genesteld, aan de ene kant prachtig omringd met bomen, aan de andere kant ging het na een meter steil naar beneden. Hij stuurde me foto’s,  en ik was meteen verliefd. ‘Regel het maar,’ zei ik tegen Harm. Daarop had hij een aantal keer contact gehad en onderhandeld met de eigenaar en hoewel die het huisje liever wilde verkopen, haalde Harm hem over het aan ons te verhuren voor een paar maanden.  Ik nam ontslag in Rome, alles wat ik niet mee wilde nemen verkocht ik of liet ik achter, en ik besloot weer te gaan schilderen.


Het is te donker om het huis goed te bekijken, maar Harm heeft toch al gezegd dat het atelier niet tot zijn recht komt in het donker en dat ik het pas echt kan beoordelen bij daglicht, dus loop ik naar waar volgens de plattegrond van Harm mijn slaapkamer ligt. Recht tegenover wat volgens hem de logeerkamer -zijn kamer- is.

Zoals beloofd heeft Harm er een stevig houten bed laten neerzetten, met daarnaast een nachtkastje met een simpel lampje erop. Ik zie een kast, en het bed is netjes opgemaakt met een bloemetjesdekbed. Hij wist toch wel dat ik vandaag aan zou komen? Ik hoor mezelf de grap nog maken: ‘Vrijdag de dertiende. Als dat maar geen ongeluk brengt.’ En hij moest erom lachen. Ja, hij wist zeker weten dat ik vandaag zou aankomen.

Tegenover het bed is een enorm raam, en terwijl de vloerplanken onder mijn voeten kraken loop ik erheen en schuif het gordijn aan de kant. Het is stikdonker, alsof ze hier nog in middeleeuwen leven en nog nooit van straatverlichting hebben gehoord. Als ik naar rechts kijk zie ik alleen maar steen. Last van de buren zullen we hier inderdaad niet hebben. Ik gaap. Misschien heel even liggen en dan alles uitpakken. Hij heeft het goed gedaan, die broer van mij. Het bed voelt als een wolkje.
    
Ik knipper een paar keer met mijn ogen. De zon schijnt op mijn gezicht en ik weet even niet waar ik ben. Misschien komt dat door die vreselijke nachtmerrie waarin er een oude man met een baard door een deur kwam en recht op mij afstormde met zijn armen wijd. Gelukkig lukte het me om hem een harde duw te geven waardoor hij met zijn armen maaiend achterover het grote raam uit viel en met een klap die ik tot diep in mijn binnenste kon horen buiten neersmakte. Die verandering van omgeving is misschien toch niet echt heel goed voor mijn onderbewustzijn. Wat een vreselijke manier om wakker te worden. Ik kijk om me heen en langzaam komt het terug. Ik ben niet meer in Rome. Ik woon in België. Door mijn ogen wrijvend kom ik overeind. Ik draag alle kleren waarmee ik uit Rome ben vertrokken nog en…Harm!


Ik gooi mijn benen over de rand van het bed, en haast me de kamer uit en de trap af. Het is stil. En het ruikt ook helemaal niet naar pannenkoeken, spek, of een van de andere dingen waar Harm bekend om staat. De woonkamer ziet er nog precies zo uit als gisteren, dus Harm is hier vannacht niet geweest. Ik grinnik zacht. Waarschijnlijk heeft hij in de kroeg gisteren een leuk Belgisch meisje gescoord en is hij met haar mee naar huis gegaan. Ik geef hem groot gelijk, op zijn leeftijd moet je lol hebben, en niet de oppas van je grote zus spelen. Bij daglicht ziet het hier een stuk minder somber uit dan gisteren. Het is groen, verlaten, en prachtig. Het is precies wat ik nodig heb. Wanneer ik door het raam naar buiten kijk, voel ik de behoefte om het uitzicht te schilderen en dat is een gevoel dat ik al heel lang niet meer heb gehad. Als ik op mijn tenen ga staan kan ik een stukje van de Maas zien, en het oude industriestadje, opgetrokken uit roodbruin steen, laat mijn vingers ook jeuken.

Ik ga op zoek naar het atelier. Hopelijk heeft Harm woord gehouden en alles aangeschaft wat ik hem gevraagd heb.  Als ik vol verwachting bij de deur aankom en de klink naar beneden duw, gaat hij niet open. Ik rammel een paar keer, maar hij geeft niet mee. ‘Verdomme Harm,’ denk ik opnieuw. Dat hij er niet is om me op te wachten is tot daar aan toe, maar dat hij de sleutel meeneemt van de enige ruimte in dit huis die ik echt graag wil zien, daar baal ik wel van. Misschien een korte wandeling dan, om een beetje rond te kijken in het dorpje dat ik de komende maanden mijn thuis ga noemen. Ik hoef niet eens een jas aan, het is heerlijk buiten.

Met een briefje van tien euro en de huissleutel van mijn nieuwe optrekje in mijn broekzak loop ik de berg af. Na twintig minuten het pad volgen zie ik de eerste huizen, die er weliswaar een beetje vervallen uitzien, maar toch ook hun charmes hebben, met de electriciteitsdraden aan de buitenkant langs hun huizen gespannen. Vroeger was dit vast een florerend dorpje, en waren de fabrieken gevuld met hardwerkende jonge mannen, maar zo te zien zijn de jonge mannen van die tijd gebleven en nooit meer weggegaan. Ik zie alleen oude, grijze mannen lopen. Met een pijp. En eentje met bretels. Een mannetje met een hond. Ergens hangt een grijze oude oma de was op aan een ouderwetse waslijn, en een eindje verderop loopt een dametje met een mandje in haar hand de buurtwinkel naar binnen. Een paar deuren verder zie ik eindelijk waar ik naar op zoek was: De bakker. Als ik het roestige uithangbordje met een croissant erop moet geloven, dat onder luid gekraak heen en weer wappert in het zachte windje. De deur maakt al evenveel lawaai als ik hem opendoe en over de drempel stap.

De bijna hoogbejaarde vrouw achter de toonbank brabbelt iets onverstaanbaars. Dat taaltje hier zal nog een uitdaging worden. Ze is vriendelijk, maar ik begrijp geen woord van wat ze zegt. Gelukkig is er nog de universele taal van wijzen en vingers opsteken, en even later ben ik de trotse eigenaar van een zak verse broodjes en twee flesjes versgeperst sinaasappelsap. Echt alles in dit dorp inspireert me. De barsten in de bakstenen muren, de fabrieksschoorsteen tegen de strakblauwe lucht, en zelfs het treinstationnetje aan de voet van de berg.Terwijl ik terug naar mijn huisje begin te lopen rollen zweetdruppeltjes langs mijn rug naar beneden.

Ik weet niet of het eraan ligt dat ik te lang in het buitenland heb gewoond, maar de mensen lijken hier veel vriendelijker. Iedereen wenst me een goedemorgen, of nou ja, ik denk dat ze dat doen want net als de bakkersvrouw versta ik ze niet al te goed.  Wie niets zegt knikt, en ik doe hetzelfde terug. Halverwege de berg blijf ik even staan om uit te blazen, en neem ik de tijd om om me heen te kijken. Als deze omgeving mij gaat inspireren om te schilderen, dan zal ik een hoop tubes groene verf moeten aanschaffen. En blauw, in verschillende tinten, voor de Maas en voor die prachtige blauwe lucht. Mijn kuitspieren protesteren, zorgen ervoor dat ik me als een vrouw van tachtig voel met elke stap die ik zet. Ik heb gewoon geen conditie meer, en dat terwijl ik in Rome tientallen kilometers per dag liep terwijl ik toeristen alle bezienswaardigheden liet zien, een eeuwigheid geleden lijkt het wel. In een ander leven.
Misschien went het als ik hier iets langer woon, maar voorlopig ga ik deze route niet meer lopen… Na een laatste paar diepe ademhalingen besluit ik dat het tijd word voor het laatste stuk.

Mijn nieuwe huis staat er prachtig bij. Ik neem even de tijd om het te bewonderen. De zon schijnt door de bomen die aan de ene kant voor schaduw zullen zorgen, en aan de kant van de afgrond, zoals ik het in gedachten heb genoemd, schijnt de zon met felle stralen. Zoals verwacht is alles zoals ik het achter heb gelaten, nog steeds verlaten. Schouderophalend neem ik een croissant uit het zakje en scheur met mijn tanden een stuk eraf. Hij is nog warm en heeft een heerlijk boterachtige smaak. Het doet me denken aan de verse broodjes die Arthur voor me kocht bij het bakkertje onder ons appartement. Geërgerd veeg ik de tranen die in mijn ogen opwellen weg. Ik wil helemaal niet meer denken aan Arthur, en aan Rome. Voorlopig is het België. Ik ga hier schilderen, de band met mijn broer wat aanhalen, mijn leven weer oppakken en…

Als ik voorbij de keukentafel loop ligt ineens daar een grote koperen sleutel, zo eentje voor een slot van honderd jaar geleden. Ik weet precies waar die sleutel van is, want ik heb vanochtend nog aan een deur staan rammelen met precies zo’n soort slot. Wat dom dat ik die gisteren niet heb zien liggen, terwijl ik toch langs deze tafel ben gelopen.
Een gevoel van opwinding maakt zich van me meester en ik graai de sleutel van de tafel. Met het flesje Jus d’orange in mijn hand loop ik naar het atelier. De sleutel past precies en het geluid dat hij maakt als ik hem omdraai kan zo uit een horrorfilm komen. Krakend, piepend, om uiteindelijk in plaats van een horrordecor een ruimte badend in het zonlicht te onthullen waar mijn mond van openvalt. Dit moet altijd een atelier zijn geweest. Het is perfect.

In het midden van de kamer staat een houten schildersezel, en er is een werkbank waarop precies zoals ik gevraagd heb, verschillende potten met kwasten staan. Kastjes met verf die precies volgens mijn instructies gekocht zijn, en tegen de muur staan lege canvassen in alle soorten en maten. De eigenaar van het huis moet ook een schilder zijn, want tegen de andere muur staat een perfecte weergave van het dorpje waar ik net doorheen ben gelopen, en een prachtig schilderij van een oud mannetje op een bankje bij de Maas.  Ik zal Harm vragen om de eigenaar te bellen wat we met die schilderijen moeten doen want dit is echt zonde om te laten staan.

Ik loop naar de andere hoek. Daar hangt een levensecht schilderij van een oude, bejaarde dame met zilvergrijs haar, een gerimpeld gezicht, en een losse knot waaruit een paar plukjes haar ontsnappen, en naast het schilderij een kapstok met daaronder staat een rode chaise longue en ik zal niet liegen: een perfecter atelier zul je niet gauw vinden. Ik voel me nu al thuis hier. En het licht is zo mooi… Een raam dat de helft van de muur beslaat maakt het geheel af. Zo te zien heeft Harm dat vergeten te sluiten toen hij wegging. Het is maar goed dat de zon schijnt, want stel je nou eens voor dat het vannacht was gaan regenen, dan waren al die mooie houten planken nat geworden, scheefgetrokken, en wie weet hoeveel ik…. Een plotseling tochtstroom zwiept het raam wagenwijd open, en ik moet naar voren leunen om de hendel te pakken te krijgen. Omdat deze kant van het huis de ‘afgrondkant’ is, durf ik niet meteen te kijken, maar toch trekt iets mijn aandacht in de verte, beneden. Tussen het groen. Het is knalgeel, en een kleur die niet thuishoort in het uitzicht. Maar het is ook de kleur van het bouwzeil dat ik op verschillende plekken in het dorp heb gezien, om de krakkemikkige daken te beschermen. Het is vast van een van die huizen afgewaaid. Toch?


Het zit me helemaal niet lekker. Misschien zijn het die stomme vrijdag de dertiende grappen, misschien is het gewoon dat zeurderige gevoel dat die nachtmerrie heeft achtergelaten. Met een beetje trillende vingers haal ik mijn telefoon tevoorschijn en toets ik het alarmnummer in. Misschien is het niets, en speelt mijn fantasie me parten, maar de vorm leek van hieraf precies op die van een mens, op een uitstekende richel, bijna aan het zicht onttrokken door de groene bomen en struiken. Mijn kunstenaarsfantasie maakt er meteen een lichaam van, dat door iemand in een zeil is gewikkeld en daar is achtergelaten zodat niemand het ooit zou vinden. En de dader had er vast geen rekening mee gehouden dat dit leegstaande huis verhuurd zou worden en… ‘Bonjour,’ zegt een stem aan de andere kant.

De agent die een kwartier geleden als eerste ter plaatse was nam mij mee naar de keuken terwijl zijn collega mijn atelier inliep. Na twee minuten kwam die terug naar buiten gesneld en verdween even snel door de voordeur als hij binnengekomen was. Blijkbaar heeft hij om versterking gevraagd, want even later wemelt het van de agenten in mijn mooie huisje en weet ik nog steeds niets. Niemand zegt iets, en ik sta in een hoekje te wachten tot iemand me gaat vertellen wat er aan de hand is.


‘Gaat het wel mevrouw?’ vraagt een van de agenten, en ik ben zo blij dat ze na mijn dramatische gesprek met de meldkamer Nederlands sprekende agenten hebben gestuurd, en de tweede vraagt of hij iemand voor kan bellen. ‘Uw kinderen misschien?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Geen kinderen. Mijn man is kortgeleden overleden, en we waren nog niet toe aan kinderen. Daar wilden we mee wachten.’ De twee agenten wisselen een blik met elkaar en eentje troont me mee naar een stoel. ‘Heeft u… weet u…?’ stamel ik, bang om de vraag te stellen. De hoop dat ik gewoon een stuk geel zeil heb zien liggen vervliegt met elke agent die binnenkomt, en het gemompel om me heen terwijl aan de andere kant niemand echt iets wil zeggen is ook niet hoopgevend. Ik heb het verhaal al zeker vijf keer verteld. ‘U kunt beter even gaan zitten,’ zegt iemand tegen me.

Ik vang het gesprek op tussen de ambulancebroeder en de eerste agent, en hoewel hij zijn best doet zacht te praten is zijn diepe, harde stem daar niet geschikt voor en versta ik elk woord, ook al is het doorspekt met een diep Belgisch accent. Ik hou mijn hoofd en blik naar beneden zodat het niet lijkt of ik ze afluister, maar toch doe ik het. Hij heeft het over mijn huis, dan mag ik toch wel weten wat er aan de hand is?

Hij hoor dat hij iets zegt over een weduwe , en iemand die voor haar zorgt omdat ze na een grote tragedie alle grip op de werkelijkheid kwijtraakte en elke keer opnieuw dezelfde dagen beleeft in haar schemerwereld.
‘Zielig voor die frére,’ zegt hij zacht, maar zo goed verstaanbaar alsof hij naast me staat. De andere agent schudt zijn hoofd.  ‘De menselijke geest is tot veel afschuwelijke dingen in staat als hij niet wil verwerken.’

Gatver. Ik haat die horrorverhalen. Als ze maar niet denken dat ik me weg laat jagen door zo’n verhaal over de oude eigenaar. Als Harm straks eindelijk thuiskomt zal ik hem eens vragen of hij hier iets van weet. Bah. En dan ineens, duwt zich een herinnering als een film naar voren in mijn hoofd. Een nachtmerrie. Mijn oren zoemen. De man met de baard in het raamkozijn. De maaiende armen. De paniek in zijn ogen. Ik voel druk in mijn hoofd en ik sla mijn handen over mijn oren.

Er gilt iemand. Ik ben het zelf. Niemand houdt me tegen als ik naar het atelier strompel, waar twee agenten opkijken als ik binnen kom. Afzetlint wappert voor hem raam en er staat iemand vingerafdrukken te nemen van de handgreep. ‘Mevrouw misschien kunt u…’ Iemand, een agent, sleurt me door het atelier en duwt op mijn schouders tot ik ga zitten op de rode bank. Overal medelijdende blikken in mijn richting. Wát? Wil ik roepen. WAT!?

Ik duw mezelf omhoog van de chaise longue en loop als in trance naar de kapstok en het schilderij dat er naast hangt. De ambulancebroeder in het felle pak volgt me voorzichtig en legt een hand op mijn schouder terwijl hij me medelijdend aankijkt. Tot mijn verbijstering staat er op het schilderij van de grijze, oude vrouw met de rimpels, de knot en de blauwe ogen ook iemand in een neongele outfit met een hand op haar schouder.

Het schilderij is een spiegel.

Heb jij nou op deze vrijdag de dertiende meer behoefte aan geluk dan aan ongeluk en lees je liever een lekkere feelgood dan een griezelig verhaal?
Stuur mij dan een bericht en koop ‘Met een beetje geluk’, (Gesigneerd en met boekenlegger!) want daar krijg je zomaar, helemaal gratis een zakje handgemaakt geluk bij! En ik beloof dat die wél feelgood is 😉

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *